Je hoeft geen torenwachter te worden om
onze toren beter te leren kennen. Wie in
hogere sferen wil verkeren hoeft bovendien
geen topatleet te zijn: zes pauzes in evenveel
zalen zorgen ervoor dat je terug op adem
kan komen.
Een overzicht van de weg naar de top:
Een eerste rustpauze vind je na 160 tredes
in de Kraankamer, een stille
getuige van het vakmanschap der vroegere
kraanbouwers. In dit vertrek van 110 vierkante
meter en 12,75 meter hoog, praalt de loopkraan.
Meer dan 5 meter breed en biedt plaats aan
drie naast elkaar geplaatste mensen.Hierlangs
werd zwaar materiaal naar boven gehesen.
Trede 233: het adres van de Smidskamer,
waar alle herstellingen plaats vonden. Specialisten
voerden hier herstellingswerken uit aan
bijvoorbeeld de beiaard of het uurwerk.
Vandaag de dag staat deze ruimte leeg.
Bij trede 313 zijn we over de helft. Hier
bevindt zich de gaanderij.
Dit is het terrein waar de torenwachter
zijn ronde deed. Hij waakte over de Mechelaars
en in geval van bijvoorbeeld brand, klonk
zijn trompet over de ingeslapen stad.
Een ander pad voert bezoekers naar de
Klokkenkamer (trede 317), waar
zes imposante klokken deze verdieping inpalmen.
Ook hier weer dat typische Mechelse vakwerk:
de klokkenstoel die Mechelaar Gedeon Stroobants
in 1658 in mekaar timmerde, doet nog steeds
dienst. In al die eeuwen had deze stoel
bijna geen herstelling nodig.
Trap nummer 413, misschien wel het hart
van de toren: de nieuwe Beiaardkamer.
Van hieruit bespeeld de beiaard de klokken
van de twee beiaarden. Hun totale gewicht:
maar liefst 80.000 kilogram.
De volgende halte bestaat uit een korte
stop in de Uurwerkkamer.
De trommel van Alexius Julliens (1733) dateert
reeds uit de 18de eeuw.
Een paar stappen verder. Het poortje aan
trede 423 herinnert aan de tol die hier
vroeger betaald moest worden. Bezoekers
moesten een kleine geldsom ophoesten om
hun weg naar boven verder te mogen zetten.
Een kelder op 490 tredes hoog: je vindt
het op onze toren in de vorm van de
Askelder. Dit moest de werf worden
van waarop men de spits op te toren ging
bouwen. Mortel noemde men vroeger "assche".
Daarin ligt dus de etymologische verklaring
van de term Askelder. De werklui bewaarden
hier de mortel die ze gebruikten bij bouw-
of herstellingswerken.
Van hieruit neem je een trapje dat uitkomt
op het "binnenplein" van de Sint-Romboutstoren.
Bij trede 514 is de beproeving achter de
rug. Daar pronkt het "binnenplein"
met zijn 7 meter hoge muren en klokkengat.
Het uitgestrekte panorama kan je gerust
indrukwekkend noemen. Van Antwerpen tot
Brussel kijk je neer op de mooiste prentjes
van Vlaanderen.
Meer informatie ivm de de bestijging van
de toren? Druk
hier.
Welke
beroemde bezoekers gingen u voor?
Naar
boven
|