| Op
29 augustus 1972 kort na 20uur belde de
brandweer me thuis op: we zijn vertrokken
voor een brand op de St Romboutstoren, de
officier van wacht vraagt je dringend ter
plaatse, hetgeen ik dan ook deed, maar het
was niet eenvoudig om, door al dat volk,
naar de toren te rijden.
Er kwam rook uit de shellekenstoren en van
tussen het leiendak boven het koor.
De Magirusladder werd opgesteld langs de
zijingang van de kerk, kant postgebouw,
en was juist lang genoeg, met het kleine
uitschuifbare laddertje bovenaan, om in
het deurtje boven de zijbeuk binnen te gaan.
Bij een vroegere brandpreventie was er een
droge brandleiding op de toren en kerk geplaatst
alsook brandvrije compartimenteringen muren
in de verschillende delen van de zolder.
De jongens gingen dus via de uitgeschoven
ladder op de zolder van de kerk en legden
twee aanvalslijnen aan om de brand in het
dakgebinte boven het altaar te bestijden.Ondertussen
was de droge leiding aangesloten aan de
autopomp en alzo hadden ze daarboven voldoende
water en druk om te spuiten.
Aangezien de brand tussen het houten onderdak
en de schalieën woedde was er voor degelijk
bluswerk weinig resultaat en vergrootte
de vlammenzee richting Schellekenstoren.
Ik vreesde voor een uitbreing via het dak
zo naar de grote toren en met enkele manschappen
gingen we via de toreningang en torentrap
naar de zolder boven de kerk en legden daar
de nodige brandlijnen aan.
Ondertussen woedde de brand al in het kleine
torentje en diende ik het personeel achteruit
te trekken want er bestond gevaar dat de
toren door de brand zijn stabiliteit zou
verliezen en omkantelen op het dak en door
zijn gewicht er door gaan ook en alzo op
de brandweerlieden, die er onder stonden,
zou vallen. Via mijn radio gaf ik aan de
wacht opdracht om de brandweer van Antwerpen
en Brussel op te roepen, ter versterking,
om met hun grootste ladder langs de zijde
van de Wollemarkt de brand langs buiten
te bestrijden.
Na een half uur waren de twee brandweerkorpsen
ter plaatse en spoten een massa water op
het brandende torentje en het brandende
dak, onze mensen bestreden het vuur langs
de binnenzijde. Het gevaar geweken en kon
men aan het nablussen beginnen.
Het dak boven het altaar en dat boven de
zijbeuken naast de schelfthouttoren was
vernield.
De brandpreventie had haar nut opgebracht
en het vuur tegen gehouden boven de kerk
zelf en dit dank zij de droge leiding waarop
boven kon aangesloten worden en de brandmuren,
waar weliswaar nog geen deuren in stonden
maar die toch een goede kompartimentering
boden.
Naar ik later vernam diende de oorzaak van
de brand gezocht te worden in werken aan
de dakgoten gedurende de dag, wat het gerechterlijk
onderzoek heeft vastgesteld heb ik nooit
vernomen, ook de onderzoeksrechter heeft
me nooit om uitleg gevraagd.
Dit is dan, in grote lijnen, onze ervaring
met de echte torenbrand van 1972, een brand
die tot één van de grootse behoorde van
mijn brandweercarriëre ( van 1 juli 1968
tot 30 juni 1993 ).
Oudbrandweerkommandant Georges Hendrickx
Terug
naar mythes.
|