Tijdens
de gouden zestiende eeuw bloeide Mechelen
als nooit tevoren. Onder de heerschappij
van Margaretha Van Oostenrijk schopte onze
stad het tot hoofdstad van de Bourgondische
Nederlanden, zodat in 1583 het plan ontstond
om de toren alsnog af te werken.
Niet zozeer de "torenhoge" kosten,
maar wel godsdienstoorlogen, maakten een
einde aan deze droom. In 1585 vond immers
de legendarische Val van Antwerpen plaats,
waarbij alle intellectuelen en kunstzinnigen
naar het rebellerende Nederland vluchtten.
In 1526 had men nochtans nog het schip van
de kerk verbonden met de toren. Een laatste
spitsboog zorgde voor de verbinding tussen
de kerkzuil (bouwjaar 1448) en de torenzuil.
Daarna werd nog honderden jaren gebrainstormed
over de mogelijke afwerking. Uiteindelijk
bleef dit zonder resultaat, waarschijnlijk
omdat men vreesde dat de toren zijn eigen
gewicht niet kon dragen.
Na de eerste wereldoorlog besloot het stadsbestuur
echter om alle plannen in deze richting
voorgoed op te bergen.
Ons onafgewerkte kunstwerk telt 514 treden
met elk een hoogte van 18 cm. Enkel vanaf
trede 313 moeten beklimmers nog een tandje
bijsteken: vanaf dan zijn de tredes 19 cm
hoog. De tweede trap, die naar de kerkdokzaal
van de kathedraal leidt, blijft bij velen
onbekend. Deze bevindt zich aan de noorderlijke
zijde van de kathedraal, maar is van buitenaf
niet bereikbaar.
Naar
boven | Ga
verder naar " Het uurwerk van de toren"
|